Dan liever het niets.
Door: Menno van der Velde
Toen ik ze in een onbewaakt ogenblik op de tv voorbij zag komen, meende ik aanvankelijk dat het om een parodie ging. Een fragment uit een oude Jiskefet uitzending. Het was voorbij zonder te beklijven. Het onbehagen dat gewekt was, verdween even snel als het fragment zelf. Ik zou de hele zaak dan ook vergeten zijn, ware het niet dat ik ze wat later weer voorbij zag komen. En deze keer werd me duidelijk dat het helemaal niet ging om een pastiche. Hier was sprake van bloedige ernst. Vol ongeloof zag ik het aan. De uitzending liet me achter in een gemoedstoestand waarin ontzetting en woede om voorrang streden; ik was ontdaan en ernstig bevreesd voor de toekomst.
Wat ik net had aanschouwd was niet minder dan het voorportaal van de hel. Een plek waar bedlegerige, dementerende oude mensen in verpleeghuizen onverhoeds – en zonder zich daartegen te kunnen verweren – werden overvallen door clowns. De deur ging open en huppaté, daar sprongen een paar vrolijke clowntjes de kamer in. Voordat de demente bejaarde gelegenheid kreeg om van de schrik te bekomen was de clownerie al begonnen. Ik zag het met ontzetting aan. ‘Als dat gebeurt om het slachtoffer op te vrolijken, is dat al erg genoeg.’ dacht ik. Maar het was nog erger. De ambitie bleek verder te reiken. Het ging, zo werd verteld, om ‘belevingsgerichte zorg’, om het bieden van ‘warme contactmomenten’. “De clown haalt dementen uit het niets” werd de kijker voorgehouden. 
Het werd mij zwaar te moede: in een visioen zag ik mezelf als verkreukelde oude grijsaard in een verpleeghuisbed liggen. Klein hoofd net boven de dekens. Heerlijk weg soezend in vage mijmeringen over toen; gebeurtenissen, landschappen, vrouwen, boeken, films, muziek…zeg maar, het vage niets en dan opeens “AAAHAAA…sapperflap wie hebben daar? Is dat niet meneertje Van Zessen Klaar?” Onderwijl zou ik – dement en niet verbaal vaardig – in wilde paniek zoeken naar iets om die clowns de deur uit te krijgen (want als ik ergens in mijn leven een godsgruwelijke hekel aan heb, dan is het wel aan clowns in alle soorten en maten en aan het clowneske in alle variaties. Als kleine jongen keek ik al vol verwondering naar het optreden van clowns. Ik voelde hooguit deernis. Later ging deernis over in weerzin en uiteindelijk moest ik vaststellen dat clowns in plaats van vrolijkheid, een diepe treurnis in mij wakker schudden).
Maar hoe doe je dat als je oud, dementerend, wilsonbekwaam en bedlegerig bent (en het niets prefereert boven ‘de lichtstraal’ die de clowns willen brengen)? Hoe schud je die van je af? Ik overwoog de mogelijkheden. Toch maar een geweer onder de dekens? Voor de zekerheid? Of pepper spray, of een stroomstootstok? Waarschijnlijk effectief, maar mogelijk iets buiten proportie. Want de mens achter de clown bedoelde het waarschijnlijk goed. Nee dan liever een meer humane oplossing. Een, die recht deed aan mijn zorgvuldig bewaakte image. Het vooruitzicht dat mijn naam in de herfst van mijn leven nog gekoppeld zou worden aan een krantenkop als ‘BEJAARDE VERMOORDT CLOWNS’ was niet in lijn met de publieke figuur van begripvolle, empathische, aardige man (ja, weten mensen veel!) die ik altijd heb nagestreefd.
Opeens schoot me te binnen dat er zoiets als een ‘reanimeer me niet’ penning bestaat. Als daar nou eens een variant van in het leven geroepen wordt? Een ‘geen clown aan mijn bed’ penning? Het burgerinitiatief ‘Uit vrije wil’ kan in korte tijd op veel sympathisanten rekenen. Dan moet een ‘clown-bezoek-mij-niet’ penning toch ook tot de mogelijkheden behoren? Ter bescherming van de weerlozen? Of niet? Twijfel. Zijn er mensen die er net zo over denken? Of sta ik alleen, als roepende in een woestijn van de bulderende lach? Noem het beroepsdeformatie, maar ik ken maar één manier om daar achter te komen. Een onderzoek. Wilt u helpen de haalbaarheid van zo’n penning vast te stellen, dan nodig ik u van harte uit:
http://www.noordam-devries.nl/onderzoek/clownaanhetbed/
Afgelopen donderdag las ik trouwens een bericht in het NRC Handelsblad dat een sprankje licht in mijn donkerste toekomvisioenen bracht. De clowns hebben concurrentie gekregen. Op een foto van Vincent van den Hoogen staat – zo blijkt uit het bijschrift – een bewoner van de psychogeriatrische afdeling van een zorgcentrum, als melkmeisje
van Vermeer. Dit in het kader van het project ‘Stilleven met granaatappel’. Het bericht meldt verder dat dit soort projecten volgens de projectcoördinator een goede aanvulling op de normale behandeling vormen en dat ze allang verloren gewaande herinneringen oproept; “Op het gebied van kunst zit er nog zó veel kennis bij de mensen”. Dat klonk me als muziek in de oren. Komt het er dan toch nog van? Zal mijn lang gekoesterde wens om ooit de hoofdrol in het Zwanenmeer te dansen dan toch nog in vervulling gaan? Ik leg mijn tutu vast klaar.





Dat ik het van Nick kreeg, maakte het heel bijzonder. Hij is zijn hele leven al Gunner, supporter van het Londense
(“Jij moet
advocaat en leidsman van de oppositiegroep El Elefante Azul – die zich sterk maakte voor meer supportersdemocratie – tot president verkozen. Onder zijn leiding begint de wedergeboorte van Barça. De bedrijfsvoering en cultuur worden aangepakt. Maar misschien wel het belangrijkste is het antwoord op de vraag van wie en voor wie de club is. In de opvatting van LaPorta en de zijn zijnen: van de supporters. LaPorta daarover: “We wilden de essentie van de club herstellen. De sportieve waarden, de beleefdheid, het idealisme en het Catalanisme’’..”We moeten solidair met de mensen zijn. Spelers moeten dicht bij de fans staan.” ..”Onze club is van de leden en wij hebben de verantwoordelijkheid naar hen toe om eerlijk en transparant te zijn.” Daarmee verwoordt hij de idealen die zo velen binnen en buiten Spanje altijd aan FC Barça zijn blijven verbinden. De club was ten tijde van de dictatuur van Franco het symbool van verzet tegen de repressie. En wil tot op de dag van vandaag een Catalaans baken voor vrijheid, humaniteit en respect voor andersdenkenden zijn. De wereldwijde aanhang (de club heeft de grootste supportersschare ter wereld) herkent zich in de slogan ‘Més que un club’, ‘meer dan een club’.
Tot 30 maart 2009 werd mijn relatie tot corporate business vooral gekenmerkt door distantie. In mijn jeugdjaren associeerde ik ‘de zakenwereld’ met beelden die uit films waren blijven hangen; hoge gebouwen, veel glas (het ‘Pan Am-gebouw’ in New York was in mijn ogen hét symbool), bevolkt door mensen van een hoog Peter Stuyvesant-gehalte (dus internationaal opererende wereldburgers).
Een gesloten wereld. Onbekend, spannend en ver weg. Later verbleekte het romantisch waas. Nederland bleek ook over corporate business te beschikken. Ja, zelfs over captains of industry. Maar hier leek de Hollandse nuchterheid en degelijkheid te regeren. Met uitzondering van een enkeling – zoals zelfverklaard ‘ordinaire containerboer’
Ik ben te gast bij
Mocht het ooit tot vergelijkend onderzoek komen, dan weet ik zeker dat de – door mij persoonlijk gezette – 
Meet & greet met Richard Branson
Maar belangrijker voor mij was de herkenning van gedeelde opvattingen over het leven en het zaken doen. In voorbereiding van de bijeenkomst las ik zijn boek ‘